Maak ambitie van de UU concreet

Princeton Institute for Advanced StudiesDit betoog verscheen op 17 december 2009 in het Ublad.

Deze universiteit heeft haar mond vol van ambitie; het is een van haar officiële kernwaarden en in het Strategisch Plan 2009-2013 komt dit woord in het voorwoord alleen al driemaal voor. Het woord ambitie is echter waardeloos, het drukt enkel de goede bedoeling uit en niet het daadwerkelijke resultaat. Het is een politiek gunstig middel om te verhullen dat superioriteit altijd met een zekere mate van exclusiviteit samengaat. Zolang de Universiteit Utrecht deze waarheid niet direct onder ogen ziet, zal zij in internationale rankings langzaam blijven zakken en zal de waarde van haar diploma’s aan inflatie onderhevig zijn, meent natuurkundestudent Ronnie Hossain.

De afgelopen 10 jaar heeft zich op het gebied van participatie in het wetenschappelijk onderwijs een ware aardverschuiving voorgedaan. Het aantal studenten nam in die tijd met een kleine 40 procent toe. Het Ministerie van OCW verwacht dat het aantal studenten aan Nederlandse universiteiten de komende tien jaar met nog eens 30 procent zal toenemen. Aangezien de bevolking niet zo hard groeit en het overschot aan studenten uit het buitenland (ten opzichte van Nederlandse studenten in het buitenland) beperkt is, betekent dit dat het wetenschappelijk onderwijs steeds meer aan exclusiviteit inboet; daar waar de universiteit ooit alleen voor de crème de la crème was weggelegd, verwatert zij nu in toenemende mate richting een diplomamachine. Hiermee vervult zij een lovenswaardig emancipatoire maatschappelijke functie, maar loopt zij het gevaar haar oude positie als bastion van de academische elite te verliezen.

Niets nieuws onder de zon, maar waarom zou een brede volksinstelling niet óók het focale punt voor intellectueel hoogstaande discussie kunnen zijn? Het probleem is dat de universiteit door deze dubbele identiteit haar focus verliest.

Aan prestigieuze Angelsaksische instellingen als de Oxbridge en Ivy League universiteiten wordt de input extreem streng geselecteerd en beperkt. Er heerst hier een gedreven klimaat van grote concurrentie en de studenten zijn prestatiegericht. Bovendien krijgt men in kleine groepen intensief les door goedbetaald, overgekwalificeerd personeel. Contrasteer dit model met grote collegezalen waar studenten door stoelgebrek op de trap moeten zitten en waar de heersende ethiek zich richt op het behalen van studiepunten. Het eerste model is niet voor onbeperkte schaalvergroting vatbaar. Men probeert nu de twee modellen te verenigen door middel van excellenttrajecten, honours minors, en verscheidene exclusieve colleges. Het probleem hiermee is dat dit oerwoud aan mogelijkheden tot onderscheiding zowel voor de beginnende student, als de aanstaande werkgevers onoverzichtelijk is. Als iemand een diploma van Princeton heeft heb je een redelijk idee van het niveau, bij Universiteit Utrecht moet je eerst nog de kleine lettertjes lezen.

De oplossing die ik voorstel is eigenlijk heel simpel: een vierjarige bachelor met selectie. Het eerste jaar heeft drie doelen. Eén: het versterken van de algemene academische ontwikkeling van de studenten. Twee: betere oriëntatie op de te kiezen studierichting. Drie: selectie van de studenten die in aanmerking komen voor het hoogste universitaire niveau. Een soort breedoriënterende brugklas dus. De studenten die niet geselecteerd worden, komen in een bredere wetenschappelijke instelling terecht, en krijgen een ander diploma. In feite splits je de universiteit dus, waarmee je een derde laag tussen de universiteit en de hogeschool toevoegt. Aan de bovenkant houden we een echte topuniversiteit over welke zich op termijn kan hopen te meten aan haar Angelsaksische evenknieën, maar daarvoor ook veel meer particuliere geldstromen zal moeten werven.

Utrecht moet hierin het voortouw nemen, met haar aanzienlijke studentenpopulatie zal een dergelijke selectie niet alleen effectief zijn, maar potentieel ook het meeste profijt geven. Zou een universiteit met een sterke reputatie en zoveel ambitie als de onze (volgens het college van bestuur breed gedragen door alle stakeholders) bovendien niet moeten kunnen rechtvaardigen dat zij zich verder probeert te onderscheiden? Utrecht zal in het door Plasterk bejubelde ‘Californisch model’ nooit de Hollandse tegenhanger van Berkeley kunnen worden. Er zijn teveel gegadigden en we zijn te groot. Daarom wordt het tijd dat het CvB haar eigen concrete visie uitdraagt, niet gestoeld op ambitie maar op excellentie.

Te oud? Nee, te duur!

Donner in BuitenhofGisteren veroorzaakte minister Donner in het programma Buitenhof enige ophef door in een discussie over de AOW te stellen dat de compensatie van werknemers te veel met anciënniteit samenhangt, waardoor zij op hogere leeftijd te duur worden. Met name coalitiepartner PvdA voelt zich hier ongemakkelijk bij, maar helaas voor de sociaal-democraten heeft Donner gewoon gelijk. Het enkel opschroeven van de AOW-leeftijd is niet genoeg.

Alle redelijke partijen zien inmiddels wel in dat, om vergrijzing het hoofd te kunnen bieden, de arbeidsparticipatie onder ouderen moet toenemen en dat langer doorwerken hier een onvermijdelijk onderdeel van is. We worden steeds welvarender en daardoor ook steeds ouder. Door de AOW op 65 vast te zetten concentreren wij momenteel, door steeds zwaardere lasten op de werkende bevolking te plaatsen ten gunste van een langer durend pensioen, een gestaag toenemend aandeel van onze welvaartstoename in de laatste jaren van het leven. Jaren waarin men vaak het minst in de positie verkeert om van deze welvaart te genieten, en waarvan het maar afwachten is hoeveel het lot je er uiteindelijk zal gunnen. Daarnaast heeft inactiviteit een aantoonbaar negatief effect op de gezondheid en levensstandaard (zowel materiaal als psychologisch); beleid dat de proportie van de inactieve levensfase vergroot is dus onverstandig. Als wij de lastenverdeling tussen verschillende generaties enigszins in balans willen houden is verhoging van deze leeftijd dus bittere noodzaak. Pas in 2020 starten met een geleidelijke verhoging tot 67 jaar is natuurlijk veel te laat, maar het is zeker beter dan niets. Een kleine stap in de goede richting dus, maar hoeveel 65-plussers zullen straks daadwerkelijk doorwerken?

Critici stellen dat de maatregel grotendeels ineffectief zal zijn omdat slechts weinig 65-plussers daadwerkelijk aan de bak zullen komen. Hoewel deze kritiek slechts ten dele klopt (door de horizon te verschuiven, verschuift het probleem mee en behaal je dus duidelijk winst) en beperkte effectiviteit an sich nog geen overtuigend argument tegen verhoging is, stipt zij toch een belangrijk probleem aan: De arbeidsmarkt voor 55-plussers functioneert in Nederland bijzonder slecht; 55-plussers die op zoek moeten naar een nieuwe baan vinden deze slechts zelden, en de arbeidsparticipatie onder 60-plussers is ronduit belabberd. Daarmee komen we op het punt van Donner, hij hekelde de eigenlijk continue loonstijging gedurende de loopbaan en sloeg daarmee de spijker op z’n kop.

Want waarom willen werkgevers die oudere werknemers eigenlijk categorisch niet? Bij redelijke marktwerking valt te verwachten dat de werkgever die discrimineert (oftewel, zichzelf van een deel van het arbeidsaanbod ontzegt op niet-relevante gronden) een concurrentienadeel ondervindt ten opzichte van anderen die dit niet doen. Er zijn twee antwoorden mogelijk: 1. De discriminatie is (al dan niet formeel) geïnstitutionaliseerd. 2. De werkgever discrimineert niet, er zijn objectief goede redenen om ouderen niet in dienst te nemen. Het antwoord ligt er in feite tussenin; Cao’s die een sterke correlatie tussen anciënniteit en lonen voorschrijven zijn een duidelijk instrument van geïnstitutionaliseerde positieve discriminatie jegens oudere werknemers, en doordat het geïmpliceerde verband tussen ervaring en arbeidsproductiviteit met toenemende leeftijd vaak steeds verder mank loopt wordt arbeid geleverd door 55-plussers steeds duurder en dus minder aantrekkelijk voor werkgevers. Dit is niet alleen oneerlijk tegenover de oudere werknemers die (eenmaal ontslagen) hun arbeid niet tegen marktwaarde kunnen aanbieden, door wat in feite een prijsvloer is. Jongere werknemers lopen tegen een omgekeerd probleem aan, een plafond op de prijs van hun arbeid. Al ben je drie keer zo productief, je zult als 25-jarige niet snel meer verdienen dan een 55-plusser. Niet bepaald een incentive om hard te werken.

Een vrijere arbeidsmarkt zou dus het ideale perspectief bieden voor hogere participatie, productiviteit, en eerlijkere compensaties. Maar totdat de sociale partners en andere belanghebbenden daar klaar voor zijn (ik houd mijn adem niet in…) zijn de door Donner voorgestelde aanpassingen in Cao’s, bijvoorbeeld een loonplateau op latere leeftijd, the next best thing. Als een vrije markt niet haalbaar is, dan moeten Cao’s moeten de meritocratische realiteit zo dicht mogelijk proberen te benaderen. Dit is een grote verandering ten opzichte van de belangenpolitiek die de bonden tot dusver voerden, maar het lijkt langzaam tot ze door te dringen. De cultuuromslag die dit teweeg zou brengen zal ook op minder gereguleerde sectoren een positieve weerslag hebben, dus laten we hopen dat Donner zijn zin krijgt.

Nederlandse waarden voor Vrede (gesproken column)

The Utrecht PrinciplesOp 21 september vierde Utrecht de Internationale Dag voor de Vrede met een avond van toespraken in het Academiegebouw. Mij werd gevraagd om namens SIB-Utrecht, in een gesproken column commentaar te geven op the Utrecht Principles, welke die avond werden gelanceerd in de aanloop naar het 300-jarig bestaan van de Vrede van Utrecht in 2013. Ze werden door een werkgroep van de Universiteit utrecht opgesteld als leidraad voor de internationale visie van de stad Utrecht. Uiteraard was ik graag bereid tot enige opbouwende kritiek.

Het grote aantal betrokken partijen in de totstandkoming van the Utrecht Principles riekt naar politiek correcte gelegenheidsconsensus en maakbaarheid. Niet bepaald de ideale uitgangspositie voor een intellectueel onafhankelijke visie zou je zeggen. Als natuurkundige kijk ik dan ook liever naar de realiteit. Wat zouden kosmopolitische waarden voor duurzame vrede nu werkelijk moeten inhouden? Allereerst moeten zij zich onmiddellijk ontdoen van het achterhaalde multiculturalisme en eindelijk eens duidelijk kiezen voor mensenrechten en de Nederlandse identiteit zonder zich daarbij af te sluiten van globalisering en andere culturen.

Voor ik mijn conclusie bereik zal ik twee essentiële principes uitwerken, te beginnen met een definitie van vrede, en vervolgens kosmopolitisme, multiculturalisme en globalisering.

Vrede
Het sleutelbegrip vandaag is vrede, dus ik kan maar beter een behoorlijke definitie van het relevante concept binnen onze cultuur en samenleving geven. Daar het een idee met een sterke morele en politieke lading betreft is de strikte, enge definitie van het woord onvoldoende. Deze garandeert immers geenszins een situatie die wij als rechtvaardig zouden kernmerken.

Kort door de bocht genomen vindt onze huidige moraal haar oorsprong niet alleen in het liberalisme en de verlichting, maar ook in de klassieke oudheid en het Christendom. Zoals Nietzsche al observeerde is deze laatste een slavenmoraal, geboren uit onderdrukking. Het leven van een slaaf of onderdrukt persoon is dikwijls gekenmerkt door relatieve kalmte en acceptatie van de status quo. Toch maakt het concept op ons een diepe indruk van onrecht. De essentie van slavernij is het deficit aan vrijheid. (Overigens floreerde slavernij in zowel de klassieke oudheid, als ook in veel Bijbels georiënteerde samenlevingen, een kenmerk voor het gebrek aan gelijkheid.) Romeins denker en staatsman Cicero drukte het zo uit:

“[...] inter pacem et servitutem plurimum interest. pax est tranquilla libertas, servitus postremum malorum omnium [...]“

“Het verschil tussen vrede en dienstbaarheid is enorm. Vrede is vrijheid in kalmte, dienstbaarheid is het grootste kwaad dat bestaat.”

Vrijheid van het individu is hier dus het kernbegrip, maar ook vrijheid is een geladen en moeilijk begrip. Daar onze tijd beperkt is ga ik beroep doen op wat mij betreft de onbetwiste autoriteit ‘on Liberty’, u raadt het al: John Stuart Mill

Hij verwoordde het Harm Principle, welke in één zin samengevat luidt:

“[…] the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others.”

Dit lijkt misschien een erg beperkte duiding van vrijheid, maar deze is essentieel om te voorkomen dat het credo van vrijheid wordt misbruikt in de rechtvaardiging van collectieve onderdrukking die wij in de twintigste eeuw hebben gezien. De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen, en ik geloof niet dat deze bedoelingen haar consequenties rechtvaardigen.

Vrede is dus kalmte en soevereiniteit voor het individu binnen de beperkingen opgelegd door de rechten van andere individuen. Dan rijst natuurlijk de vraag hoe je dat kunt concretiseren. Gelukkig heeft ’s werelds grootste organisatie ter bevordering van vrede hier al een uiterst geschikt antwoord op geformuleerd: De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Met name de burgerpolitieke rechten hierin zijn een bruikbare uitwerking van wat rechtvaardige vrede inhoudt, en het document zelf een concreet politiek-juridisch instrument om haar te bevorderen.

De rechtvaardige en duurzame vrede die the Utrecht principles dus hopen voor te staan wordt het best gediend door bevordering van de mensenrechten, met een speciale focus op de negatieve vrijheden, welke sterk overeenkomen met de burgerpolitieke rechten.

Kosmopolitisme
De titel van the principles spreekt van “kosmopolitische waarden” als het vehikel waarmee duurzame vrede bereikt zouden moeten worden. Leuk, maar wat betekent het? Kosmopolitisme spant de Cynische autarkie van Diogenes van Sinope tot aan het moreel universalisme van Emmanuel Kant. Een populaire recente interpretatie komt van Kwame Anthony Appiah, die een middenweg voorstelt door de natiestaat een expliciete rol in de bemiddeling tussen rechten en verantwoordelijkheden van de kosmopoliet te geven. Maar juist de rol van de natiestaat wordt door the principles gemarginaliseerd.

De toelichting maakt echter meer duidelijk over wat er bedoeld wordt, men spreekt over de “multiculturele samenleving”, “respect voor andere culturen en geloofsovertuigingen”, en Westerse waarden die aan betekenis inboeten. Dit baart mij enige zorgen. Natuurlijk is het van essentieel belang dat we een open maatschappij blijven, die flexibel en adaptief kan inspringen op nieuwe kansen, maar het gevaar dat deze overwegingen doorschieten in een degeneratief cultuurrelativisme ligt nog altijd op de loer. Voor de grote West-Europese steden is de succesvolle integratie van niet-Westerse allochtonen de grote uitdaging voor de komende decennia. Daarom moeten we de lessen van de in 2002 geknapte zeepbel van heilloos multiculturalisme niet vergeten. Cultuurrelativisme leidt immers tot een waardenloze maatschappij, waar redelijke consensus over moraliteit uitermate problematisch wordt.

Het dilemma is duidelijk, morele autarkie en starheid zijn niet realistisch tegen de achtergrond van voortschrijdende globalisering, maar om binnen de wereld een positie in te nemen en haar inwoners een gemeenschappelijk kader te bieden heeft Utrecht wel een betekenisvolle identiteit nodig.

Mijn oplossing is eigenlijk enorm simpel. Door gebruik te maken van de Nederlandse en in het bijzonder ook Utrechtse traditie in tolerantie en compromisbereidheid, gecombineerd met de daarmee samenhangende ononderhandelbare beginselen, zoals onze vrijheden en mensenrechten, zouden wij in staat moeten zijn een omarming van ons internationaal karakter te realiseren.

Terug naar het bredere verhaal; de mondiale globalisering creëert niet alleen in Utrecht maar wereldwijd een steeds sterkere vraag naar identiteit. Deze identiteit moet geworteld liggen in de lokale cultuur en traditie om betekenis te hebben, de mens heeft behoefte aan een ‘wij’ en een ‘zij’, een groep om toe te behoren. Bij gebrek aan overtuigend bewijs au contraire, neem ik aan dat deze millennia-oude behoefte op de middellange termijn niet zal verdwijnen. Daarmee kan het kosmopolitische ideaal voorlopig niet gerealiseerd worden. Een dualiteit tussen een sterke lokaal en cultureel gebonden identiteit enerzijds, en een universeel breed ondersteund moreel kader van ten minste de mensenrechten anderzijds is echter wel voorstelbaar. Deze zal veel werk vergen en het is misschien een wat laf antwoord op het dilemma tussen universalisme en relativisme, maar het biedt wel perspectief.

Dit zou dan ook het model van kosmopolitisme moeten zijn: een open, naar buiten gerichte wereldstad, waar cultuur leeft en dynamisch is, maar eeuwenoude verworvenheden te pen en te zwaard als hogere waarden verdedigd en verspreid worden. Dan kan Utrecht de globalisering met open vizier tegemoet treden, en als voorbeeld voor andere steden dienen. Ik ga naar mijn conclusie toe.

Conclusie
Concluderend kunnen we daarom de volgende zaken vaststellen: Gelukkig zijn the Utrecht principles nog niet af. Het is belangrijk dat er in de komende jaren een grotere nadruk ligt op mensenrechten en globalisering en dat deze in een programma van voorlichtende activiteiten concreet wordt verspreid. Hiermee sluit ik aan op de VN-resolutie over de Internationale Dag voor de Vrede, waarin de volgende operatieve clausule is opgenomen:

“Invites all Member States, organizations of the United Nations system, regional and non-governmental organizations and individuals to commemorate, in an appropriate manner, the International Day of Peace, including through education and public awareness […]”

Dit soort activiteiten zijn vooral effectief wanneer zij op initiatief van Utrechters zelf worden ontplooid… zoals de wekelijkse lezing van SIB (elke dinsdagavond in Instituto Cervantes hier tegenover aan het Domplein) en het dagvullend congres over mensenrechten en globalisering dat SIB op 6 februari aanstaande in ditzelfde gebouw zal organiseren.

Een succesvolle integratie van verschillende culturen in Utrecht, en van Utrecht in de geglobaliseerde wereld vergt boven alles helderheid over de eigen identiteit. Cultuur is hier een essentieel onderdeel van, maar net zo bepalend zijn onze niet onderhandelbare, inherente principes. Daarmee heb ik het over oer-Hollandse (en tegenwoordig ook Utrechtse) waarden zoals vrijheidszin en democratisch bewustzijn, die zijn verankerd in een burgerlijke cultuur van eenvoud, verdraagzaamheid, maatgevoel, antiheroïsme, netheid, en nijverheid. Het is tijd dat wij wat meer waardering krijgen voor onze eigen identiteit! Wanneer the Utrecht Principles echte Nederlandse waarden met zelfvertrouwen weten uit te dragen, hebben zij een kans om in ieder geval hun minder megalomane doelen te verwezenlijken.

Kennis is macht

In het kader van de oorlog tegen vetzucht en stijgende zorgkosten presenteerde minister Ab Klink (Volksgezondheid) op 20 juli jongstleden aan de Tweede Kamer het onderzoek ‘prijs als factor in voedingskeuze’ uit gevoerd door de Vrije Universiteit Amsterdam. Hiermee wordt de technocratische basis voor een ‘vettaks’ uitgediept, maar niet de morele. Maar ondertussen laat Amerika met verplichte calorievermelding op menu’s zien dat het ook anders kan.

De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn dat de gezondste keuze doorgaans niet de goedkoopste is, dat prijsmaatregelen potentieel hebben in het stimuleren van gezonder eetgedrag, en dat er nog te weinig onderbouwing is voor de invoering van prijsmaatregelen. De minister reageert dan ook terughoudend. Terecht, prijsmaatregelen zijn een betuttelende overheidsinterventie in de vrije keuze van de consument. Gewichtsbeheersing is een uitgesproken persoonlijke verantwoordelijkheid, en beleid dient zich dan ook te richten op voorlichting en bewustwording zodat individuen geïnformeerde keuzes kunnen maken, niet op het wegnemen van deze verantwoordelijkheid door de keuze voor de burger te maken. Dit kan door directe voorlichting (het Voedingscentrum), maar ook door de voorwaarden te scheppen waaronder burgers inzicht in voedingswaarde verwerven.

New York City probeert zulke voorwaarden te scheppen; sinds maart 2008 zijn ketenrestaurants (restaurants met meer dan 20 vestigingen) wettelijk verplicht om op hun menu’s bij alle items het aantal calorieën te vermelden. Inmiddels hebben een aardig aantal steden en vier staten (waaronder Californië) dit beleid overgenomen. Het is nog te vroeg om definitieve conclusies over de effectiviteit hiervan te trekken, maar de lokale volksgezondheidsinstellingen verwachten veel van de wetgeving. De eerste indicaties en voorlopige onderzoeken zijn positief; de maatregel lijkt zowel consumenten als ketens te beïnvloeden.

Het argument dat de vraag naar gezondere producten zal verschuiven is niet ingewikkeld. De klant wordt in zijn beslissingsproces geconfronteerd met nieuwe informatie: Direct naast de naam van het product staat ook het aantal calorieën vermeld. Dit wordt in de afweging meegenomen met alle andere beschikbare informatie: Hoe ziet het product eruit, hoe aantrekkelijk is de naam, hoe smaakte het de vorige keer, hoeveel honger heb ik, hoeveel kost het, etc. Aangezien de correlatie tussen eten met een hoge caloriedichtheid en ongezond eten erg sterk is zal deze extra informatie de consument tot gemiddeld gezondere keuzes leiden. Daarnaast verwerven mensen door regelmatige blootstelling aan caloriewaarden een beter inzicht in de voedingswaarde van verschillende levensmiddelen.

Zoals wel vaker het geval blijkt, zijn de simpelste redeneringen de beste; enkele maanden geleden was ik zelf een paar weken in New York en ondervond ik aan den lijve dat het werkt en je keuze daadwerkelijk beïnvloedt. Toen een onregelmatig ritme mij dwong een McDonald’s binnen te stappen begon ik in de rij af te wegen of een cheeseburger 50kcal meer waard is dan een gewone hamburger. Ik koos voor de cheeseburger, maar nam de grotere burgers niet eens in overweging.

Daarnaast blijkt de regelgeving ook een stimulans te zijn voor het aanbieden van meer gezonde alternatieven. In de strijd om de gunst van de bewuste klant, hebben grote ketens hun caloriearme assortimenten sterk uitgebreid. Een ‘skinny vanilla latte’ bij Starbucks, met zoetstoffen en 0% vet melk, bevat 90kcal vergeleken met 220kcal voor de normale variant met dezelfde omvang.

New York is een stad waar men het zelf koken al jaren verleerd is, en waar ketens (niet allen fastfood) als goedkoop alternatief op chique restaurants een belangrijk onderdeel van de eetcultuur vormen. In Nederland is dit verschijnsel lang niet zo vergevorderd, maar de trend bestaat wel en vormt een belangrijke achtergrond waartegen de toename in obesitas gezien moet worden. Deze trend gaat gepaard met een afnemend algemeen inzicht in de voedingswaarde van voedingsmiddelen. De verplichte calorieaanduiding kan dit niet voorkomen maar kan wel de gevolgen verzachten.

Het zou een goede zaak zijn als dit beleid ook in Nederland werd ingevoerd. Dergelijke maatregelen laten de burger vrij in haar keuze, en stellen haar juist beter in staat zelf een keuze te maken door haar recht op informatie te versterken. Daarnaast drukt het de consument met de neus op de feiten. Wat dat betreft valt het te vergelijken met een beschaafdere vorm van de waarschuwingen op pakjes sigaretten. Er zijn maar weinig rokers die deze waarschuwingen minder rechtvaardig vinden dan de draconische accijnzen die ze moeten betalen.

Bronnen:
Prijs als factor in Voedingskeuze (Ministerie van VWS)
The Truth Shall Make You Thin (The Economist)

Femi-fascisme?

Ook zonder PvdA-roltrap kunnen capabele vrouwen tot de top doordringen.Van FNV-voorzitter Agnes Jongerius kun je zo nu en dan de grootste onzin verwachten. Maar van de Partij van de Arbeid reken ik doorgaans toch op ietsje meer. Toch sloot deze partij zich onlangs aan bij haar oproep tot een vrouwenquotum in bedrijfstoppen. Ik hoop dat we hier te maken hebben met een Wilder-esque publiciteitsstunt, maar dat durf ik niet met zekerheid te zeggen. Mogelijk is de PvdA simpelweg in een nieuwe fase van haar Scandinavië-idolatrie aanbeland.

“40% vrouwen aan de top, of het bedrijf wordt ontbonden.” Dat is in een notendop het initiatiefwetsvoorstel dat PvdA-kamerleden Paul Kalma en Mariëtte Hamer enkele weken geleden aankondigden. Hiermee getuigen zij van enige naïviteit, want de achterliggende gedachte dat je emancipatie als overheid ook wel kunt forceren lijkt mij volstrekt achterhaald. De buitenproportionele sancties in dit voorstel verzekeren natuurlijk wel effecten, maar geen effectiviteit. Want afgezien van de oppervlakkige gevolgen maken deze maatregelen het de vrouw juist lastiger om op grond van haar kwaliteit beoordeeld—en dus serieus genomen—te worden. Om nog maar te zwijgen over de oneerlijke situatie voor mannen, wegens geslacht lopen zij promoties en aanstellingen mis ten gunste van minder gekwalificeerde kandidaten.

Mr. Kalma haalt bij het verdedigen van zijn plan graag Noorwegen als voorbeeld aan, het land waarvan het plan is afgekeken. De constatering dat de arbeidsparticipatie bij Noorse vrouwen hoger ligt, valt moeilijk te betwisten. Hij vergeet hierbij echter dat Nederland en Noorwegen in veel relevante opzichten helemaal niet op elkaar lijken. Zo liepen de Noren in deze statistieken om geheel andere redenen altijd al voor op ons, en steekt de Noorse economie heel anders in elkaar. Van een vergelijking ceteris paribus is geenszins sprake. Verder is dit beleid ook in Noorwegen vrij nieuw en zijn verstrekkende conclusies voorbarig en bovendien is de situatie van de Noren voor ons natuurlijk niet op alle vlakken benijdenswaardig.

De belangrijkste vraag is echter of volledige geslachtelijke pariteit op de arbeidsmarkt überhaupt wel wenselijk is. Want in hoeverre komt de 50-50 verhouding, zoals de Partij van de Arbeid die het liefst ziet, nu werkelijk overeen met de uitgangspositie die bij een voltooide emancipatie hoort? Een gebrek aan discriminatie noodzaakt geenszins een specifieke proportie tussen mannen en vrouwen op de werkvloer. Zo sluit de huidige grote personeelsschaarste in de IT-branche noemenswaardige discriminatie uit, hetgeen niet geleid heeft tot enige verandering in de extreem scheve verhouding. Een blik op de universiteiten bevestigt dit beeld; er zijn echte vrouwenstudies maar ook echte mannenstudies, en binnen grotere studies zoals geneeskunde zie je ook tussen verschillende specialismen grote verschillen in geslachtelijke samenstelling. Je kunt niet redelijkerwijs stellen dat dit voornamelijk een symptoom van discriminatie is, het is duidelijk een symptoom van de culturele en biologische verschillen tussen mannen en vrouwen.

Zo gaat het ook in de carrières, vooralsnog blijken vrouwen toch socialer te zijn en vaker voor een evenwichtig leven te kiezen. En daar is helemaal niets mis mee. Het streven van de PvdA om daar van bovenaf verandering in te brengen getuigt van een soort sociaal-cultureel dirigisme. Waar het iedereen uiteindelijk om gaat is dat de meest geschikte kandidaat voorrang krijgt bij het vullen van een vacature. Dat valt per definitie niet met seksistische of racistische discriminatie te verenigen. De hier voorgestelde maatregel bereikt echter het tegenovergestelde: De geschiktheid van een kandidaat wordt ondergeschikt aan het geslacht. Wat dat betreft is het oude socialisme bij de PvdA weer helemaal terug: De sociale visie op het collectief vertrapt weer eens de rechten van het individu.

Obesitasbestrijding een overheidstaak?

Regelmatig verschijnen er in de actualiteit berichten waaruit blijkt dat wij ongezond eten, te weinig bewegen, en ondanks onze herhaalde dieetpogingen almaar zwaarder worden. De laatste tijd blijft het echter niet bij enkel deze constatering. Ik lees steeds vaker de oproep aan de politiek om aan deze dreigende obesitasepidemie paal en perk te stellen door direct in te grijpen; de zogenaamde ‘vettaks’.

Proponenten van een dergelijk overheidsoptreden voeren de ‘maatschappelijke kosten’ van obesitas aan, en stellen dat deze onaanvaardbaar hoog zijn geworden. Daarom zouden wij in de strijd tegen overgewicht als land het heft in handen moeten nemen. Niet alleen omwille de maatschappij, maar ook ter bescherming van het individu tegen zichzelf. Op deze basis wordt er gepleit voor accijnzen en subsidies op bepaalde levensmiddelen ter bevordering van gezonder eetgedrag. Mij lijkt dit een zeer onverstandig plan. Niet alleen is het gebaseerd op een onjuiste voorstelling van het probleem, maar de aangedragen maatregelen zijn bovendien ook uitermate betuttelend en vrijheidsbeperkend.

Mijn eerste grote bezwaar is tegen de veronderstelling dat het overgewicht van mensen een maatschappelijke aangelegenheid zou zijn. De achterliggende gedachtegang is dat wij als samenleving zouden opdraaien voor de schade die de vaak met overgewicht gepaard gaande ziekten berokkenen. Dit is een foutieve en bovendien scheve weergave van de zaken. Allereerst is het vooral het individu in kwestie wiens welvaart (zowel direct als indirect) onder dergelijke ziekte te leiden heeft, de maatschappelijke consequenties zijn uitgesproken secundair. Het is wel waar dat naarmate de overheid zich meer met gezondheidszorg bemoeit, het zwaartepunt van de financiële lasten richting de staat verschuift. Dit is echter eerder een argument voor een vrijere markt in de gezondheidszorg dan voor verdere overheidsbemoeienis, en neemt hoe dan ook niet weg dat het individu de grootste gevolgen ondervindt.

Het is bovendien erg krom om de kosten die met ongezonde eetpatronen gepaard gaan als puur economisch verlies te schetsen; niets is minder waar. Het is misschien erg cru, maar de één z’n dood is de ander z’n brood. Iemand die veel consumeert, vaak uit eten gaat, en een driedubbele bypass moet ondergaan voorziet ondertussen werknemers in tal van sectoren van werk. Zijn geld gaat misschien niet naar een autofabrikant, maar naar de levensmiddelenindustrie, de horecabranche en de medische sector. Het geld gaat dus niet verloren, integendeel, het wordt uitgegeven en blijft in de economie.

Daarnaast miskennen de proponenten van accijnzen en subsidies de rechten en vrijheden van het individu. In de argumenten die pleiten voor dergelijk beleid (het maatschappelijke belang en het individuele belang) schuilt namelijk een impliciete aanname die in het kader van de persoonlijke vrijheid moeilijk te tolereren valt. Dat een samenleving het recht heeft het belang van individuen te onderwerpen aan het gemeenschappelijk belang en bovendien het recht heeft voor de individuele burger te beslissen wat goed voor haar is. In andere woorden, het recht om de burger ‘tegen zichzelf in bescherming te nemen.’

Dit vind ik verwerpelijk en onrechtvaardig. Het leven van het individu staat niet ter dienst van de staat of wat voor ander groter goed dan ook, hij geniet zelf het primaat op de invulling van zijn leven. Wanneer een persoon besluit ten overvloede te genieten van eten, dan hebben wij dit besluit te respecteren. Het vermogen om buitensporig veel en ongezond te eten, en desalniettemin van een relatief lang en gelukkig leven te genieten d.m.v. technologie en medische zorg is OOK een vorm van welvaart. Hoe onverstandig, decadent, en inferieur wij deze keuze ook mogen vinden, zolang de vrijheid van een derde niet in het geding komt is er geen enkel moreel argument voor het opleggen van verboden. Economische drukmiddelen zijn door hun vrijheidsbeperkende karakter dus ethisch onvoldoende gerechtvaardigd.

Toch wil ik niet ontkennen dat de trend richting meer gevallen van obesitas op z’n minst zorgelijk en onwenselijk is, mensen met klinisch overgewicht leven over het algemeen minder lang, minder gezond, minder gelukkig en hebben vaker problemen gerelateerd aan een negatief zelfbeeld. Daar mag best wat aan gedaan worden, maar dwang en sancties zijn hiervoor niet de juiste middelen. Beleid moet zich vooral richten op het informeren en onderwijzen van mensen. Als mensen alle vrijheid krijgen om hun eigen keuzes te maken, dan is het best geoorloofd om de burger beter in staat te stellen goed te kiezen. Daarbij denk ik aan voorlichtingscampagnes, meer aandacht voor voeding en beweging op scholen, en betere, duidelijkere voedingsinformatie in de supermarkt en bij de snackbar. Met voorlichting, niet verplichting, bestrijd je het probleem en respecteer je toch de keuzevrijheid.

Obesitasbestrijding kan dus in beperkte zin wel degelijk een overheidstaak zijn. Daarbij moet de overheid zich bescheiden opstellen en mensen informeren, niet forceren. De meeste mensen WILLEN namelijk helemaal niet te zwaar zijn, afvalpogingen zijn groot in aantal maar meestal vergeefs. Vaak zijn te zware mensen het slachtoffer van een combinatie van genetische aanleg, slechte eetpatronen, en te weinig beweging in hun dagelijkse routine. Het is naïef en beledigend om te denken dat je zulke problemen als overheid met economische sancties eventjes op kunt lossen. De strijd tegen overgewicht is een lastige, en vergt veel zelfdiscipline. Het is een gevecht dat ieder individu voor zichzelf moet aangaan. Het enige wat je daar als overheid effectief aan kunt bijdragen is een goede informatievoorziening. Met de groeiende zichtbaarheid van het Voedingscentrum zijn we denk ik dus al heel aardig op weg.

De waanzin van het protectionistische anti-globalisme.

Goedkopere kleding voor ons, een beter leven voor hen.Antiglobalisering is een beweging die schijnbaar aan invloed wint; de boeken van Naomi Klein gaan als warme broodjes over de toonbank en de WTO en het IMF zijn in toenemende mate het doelwit van protestacties. Een opmerkelijk verschijnsel tegen de achtergrond van ontwikkelingen zoals de drastische reductie van armoede, kindersterfte, analfabetisme, en de sterke opkomst van vrijheid en democratie die de afgelopen decennia met diezelfde globalisering gepaard zijn gegaan. Mijn stelling is dan ook dat globalisering juist de manier is om onze ambitieuze millenniumdoelstellingen te realiseren. Ik zou zelfs zo ver gaan ontwikkelingssamenwerking af te schaffen, het kost ons handenvol geld en is een buitengewoon ineffectieve, vaak zelfs contraproductieve, methode van armoedebestrijding.

Allereerst is het van belang duidelijk te definiëren wat globalisering precies inhoudt. Jaren van linkse retoriek heeft ertoe geleid dat het vaak met neoliberale machtspolitiek en corporatisme verward wordt. Globalisering is het proces waardoor mensen, informatie, handel, investeringen, democratie, en de markteconomie in toenemende mate neigen landsgrenzen te overschrijden. In andere woorden, het is de trend dat nationale grenzen een steeds lagere drempel vormen en dus steeds minder beperken. Het is een proces van onderop dat leidt tot meer economische en bewegingsvrijheid voor het individu en minder centrale macht en controle voor staten en bedrijven.

Dit simpele proces is een enorm krachtig middel in de strijd tegen armoede. Ontwikkelingslanden zijn door vrijhandel en lage transportkosten in staat aan onze markten deel te nemen en kunnen hierdoor in hoog versneld tempo een economische inhaalslag maken. Voorwaarde is wel dat ze ook intern een liberaal-kapitalistisch systeem met de nodige prikkels voor een gunstig ondernemingsklimaat hanteren. Een goed voorbeeld hiervan is Taiwan dat in de jaren vijftig begon met hervormingen door o.a. land aan de bevolking te geven. Arme boeren werden landeigenaren en al snel steeg de voedselproductie en begonnen enkele boeren op eigen land fabrieken te bouwen. In de jaren 60 en 70 werd de Westerse markt overspoeld met goedkope producten Made in Taiwan en inmiddels exporteert het land vooral hi-tech goederen. In korte tijd hebben liberalisering en globalisering de inwoners van dit land van grote armoede naar een hoge levensstandaard getild. Als bijeffect heeft deze welvaart in Taiwan een middenklasse gecreëerd, waardoor het voor dit land mogelijk is geweest zich van een dictatuur tot een prille democratie om te vormen.

Hoewel vormen van ontwikkelingshulp onderling verschillen, hebben ze meestal een aantal grote negatieve bijeffecten. Zo heeft steun een schadelijke invloed op de wisselkoers, hetgeen de ontwikkeling van export en industrie belemmert, werkt het vaak corruptie en afhankelijkheid in de hand, en leidt het tot uitstel van noodzakelijke hervormingen. Arme mensen in de hele wereld zouden er vele malen meer aan hebben als wij de globalisering zouden omarmen door bijvoorbeeld onze landbouwsubsidies en importtarieven te beëindigen. Dit is bovendien op de lange termijn ook gunstig voor onze eigen economie en welvaart.

In navolging op Taiwan is ook China aan het liberaliseren, waarmee er honderden miljoenen mensen uit abjecte armoede bevrijd worden. Alle linkse aantijgingen van neoliberaal imperialisme ten spijt, zijn het veelal de communisten en Europese sociaal-democraten die deze hervormingen uit pure noodzaak (en met veel succes) doorvoeren. Ik concludeer dan ook dat de wereld niet te veel maar juist te weinig globalisering kent. Dit gebrek ondervangen we niet door enkel politieke druk uit te oefenen maar vooral door zelf onze resterende handelsbarrières te elimineren, onder de zinspreuk: Goed voorbeeld doet volgen.

Boerka naast symbool Islam, ook symbool vrijheid?

NikabAfgelopen week wist Geert Wilders weer eens alle nationale nieuwsmedia te halen, ditmaal met zijn wetsvoorstel tot het verbieden van de boerka en de nikab. De suggestie is niet nieuw, in 2005 diende Wilders al eens een dergelijke motie in welke uiteindelijk nooit tot uitvoering kwam. Nu de verkiezingen achter de rug zijn en het nieuwe kabinet eindelijk op gang lijkt te komen, neemt de leider van de PVV de herkansing.

Wilders beroept zich in zijn retoriek voornamelijk op de vrouwonvriendelijkheid van het kledingstuk; het zou symbool staan voor een “achterlijke cultuur” welke de vrouw achterstelt ten opzichte van de man en als zodoende zou het dragen van de boerka in strijd zijn met onze democratische rechtstaat. Dit is natuurlijk complete onzin. Hoewel er zeker wat te zeggen valt voor de constatering dat er een onwenselijke vrouwonderdrukkende symboliek uitgaat van dergelijke kledij, is de daarop volgende stelling dat het in strijd zou zijn met onze rechtsstaat simpelweg onhoudbaar. Het is niet aan de politiek om zulke symboliek bij wet te reguleren, religieus of niet. De vrijheid van godsdienst en meningsuiting zijn onverminderd van toepassing.

Het andere belangrijke argument dat de Partij voor de Vrijheid aanvoert is dat het een gevoel van onveiligheid zou scheppen en de integratie bemoeilijkt. Feit is echter, dat het dragen van een boerka niemands rechten schendt. Een op onderbuikgevoelens gebaseerde perceptie van onveiligheid is een te grote subjectiviteit om inperking van de persoonlijke vrijheid te rechtvaardigen. Vrijheid betekent nu eenmaal ook vrijheid voor minderheden waar je het niet mee eens bent. Als je bepaalde groepen van deze vrijheid uitsluit is dat niets minder dan onderdrukking en discriminatie.

Het heeft er overigens alle schijn van dat het boerkaverbod van Wilders het in zijn huidige vorm niet zal redden. VVD en CDA willen wel de boerka verbieden, maar durven hun vingers niet te branden aan de onverbloemde discriminatie jegens de Islam die hier van uitgaat. Zij zullen dan ook opteren voor de politiek correcte variant: een algemeen verbod op alle gezichtsbedekkende kleding. Dat kan immers verkocht worden als een maatregel omwille de veiligheid.

Van de PVV en het CDA vielen dergelijke vrijheidsbeperkende standpunten te verwachten, maar het is teleurstellend dat de VVD-fractie voor electoraal gewin bereid is haar liberale grondbeginselen bij het grof vuil te zetten. Want de eis dat iedere burger die zich op straat begeeft goed herkenbaar is hoort niet thuis in een liberale samenleving, maar in een politiestaat.